Lang voor de Vinexjager een begrip werd, was ik even jagersvrouw. We schrijven het jaar 1998, Florence. Lorenzo, mijn toenmalige Florentijnse verloofde heeft een vader die er op los jaagt in Portugal, Spanje en thuishonk Toscane. Als nuchtere Hollandse had ik destijds mijn bedenkingen bij de jacht. Decadent. Onnodig. Rijkeluisvermaak.

Mijn vooroordeel was een heel piepklein beetje waar, om in Toscane te jagen moet je van het geld bulken, al was het alleen maar om je uitrusting te kunnen bekostigen. Ik leerde echter wel van babbo Gianni (Lorenzo’s vader) dat het met respect en kennis voor dier en natuur van jagers wel goed zit. Beter dan bij menig winegum-kauwend veganist. De jager weet bij uitstek wat de natuur in evenwicht houdt en respecteert wat het hem geeft. Hoe hypocriet daarentegen zijn diegenen (waaronder ik) die hen beschimpen, maar wel het lef hebben supermarktkipfilets plat te slaan.

Dus toch maar mee. Babbo Gianni is verrukt en probeert me in de jachtkleding van Lorenzo’s zus te krijgen. Tot en met het verenhoedje toe. Mijn Hollandse nuchterheid vertikt het. Ik hou mijn eigen leren jasje en rokje wel aan, thank you very much. Geen sprake van, vindt Gianni, ik zou het maar koud krijgen. “Lorenzo, geef dat kind een dikke jas en laat haar een broek aandoen. In de bergen is het koud en we zullen door modderig terrein lopen”. In plaats van jachtkledij krijg ik nu een oversized bomberjack en een spijkerbroek uit het jaar 501 aangemeten. Ik detoneer vreselijk in het Toscaanse herfstlandschap.

Om zes uur ‘s ochtends vertrekken we naar een wijngaard –het jachtgebied- buiten Florence, waar we rond achten aankomen. De Toscaanse morgenstond heeft goudgele wijngaarden in de mond, waarop het dauw flikkert. De jagers  zijn Lorenzo, vader Gianni, ‘il Giudice’ (een of andere beroemde Florentijnse rechter) en de beheerder van het jachtgebied slash wijnboer. Plus de eigenlijke jager, de jachthond die die zijn poten echt vies gaat maken.

De heren lopen achter de hond aan. Die snuffelt aan de grond tot hij fazant ruikt, zet het dan op een drafje en houdt subiet halt bij een struik. Blijft hij onbeweeglijk staan, zijn staart stokstijf als een wijzende vinger, dan zit er een fazant in de struik. De mannen houden hun adem in en naderen het bosje. De wijnboer geeft hem een teken, de hond springt de struik in en er fladdert een verschrikte fazant omhoog. “Prendilo te, giudice” (neem jij ‘m maar rechter), gebaart babbo Gianni ruiterlijk – jagers zijn gentlemen. Pang! Daar gaat de eerste fazant tegen de vlakte. De wijnboer raapt al het geschoten gevogelte op en stopt het in de grote zakken die zijn vrouw op zijn kleding heeft genaaid. Aan het einde van de ochtend bungelen er zes vogels uit zijn broek.

Lorenzo moet er nog een beetje in komen. Hij is het plattelandse leven ontwend en heeft de afgelopen jaren met mij in Nederlandse coffeeshops en Londense pubs rondgehangen. Het levende bewijs van zijn ont-Italiaansing staat naast hem in een te grote bomberjas. Babbo Gianni is al lang blij zijn zoon weer eens in een apenpakkie te zien en blijft Lorenzo aanmoedigen,

“Dai, figliolo mio, de volgende vogel is voor jou”. Ook de giudice spoort hem aan en dan ontwaakt er een oerinstinct in Lorenzo. Als de hond weer stil staat en zijn hele hebben en houden spitst, legt Lore aan. De hond stuift weer het struikgewas in. Het geklapwiek van de vleugels blijft niet lang uit en we zien weer een bos veren de lucht in fladderen.

“Spara!”, roepen de heren. Lorenzo schiet, maar schampt de fazant slechts. Die valt van schrik uit de lucht en zet het op een lopen zodra hij de grond raakt. We staan erbij en kijken ernaar, terwijl het beest het hazenpad kiest tussen de wijngaarden . De hond gaat erop af en krijgt het beest alsnog te pakken. Gianni is trots, Lorenzo schaamt zich en ik voel me ongemakkelijk in mijn geleende kleding.

Maar dan is daar het middageten. In het huis van de wijnboer staat de vrouw des huizes al een week lang slow te koken: risotto met duif, gestoofde fazant met rozemarijn en zwarte olijven, pasta met verse paddenstoelen. En alsof dat niet genoeg is eten we daar nog gegrilde bistecca fiorentina bij van de open haard. We drinken wijn uit fiasco’s die nooit op gaan want de voorraadkelder ligt onder ons. Taarten en likeuren toe. Welnee, jagen is niet decadent.