Lang voor de Vinexjager ingeburgerd was en jagen nog niet in een VVV-totaalpakket met wildplukken werd aangeboden, was ik even jagersvrouw. Ik schreef dit stuk destijds voor het masculinaire weblog Cheffen (www.cheffen.nl)

Lorenzo, mijn toenmalige Florentijnse verloofde heeft een vader die er op los jaagt: in Portugal, Spanje en thuishonk Toscane. Als nuchtere Hollandse had ik destijds mijn bedenkingen bij de jacht. Decadent. Onnodig. Rijkeluisvermaak (met dode dieren kon ik wel leven).

In zekere zin was mijn vooroordeel een beetje waar, om te jagen moet je toch wel van het geld bulken, al was het alleen maar om je uitrusting te kunnen bekostigen. Ik leerde echter wel van babbo Gianni (Lorenzo’s vader) dat het met respect en kennis voor dier en natuur van jagers wel goed zit. Beter dan bij menig winegum-kauwend veganist. De jager weet bij uitstek wat de natuur in evenwicht houdt en respecteert wat het hem geeft. Hoe hypocriet daarentegen zijn diegenen (waaronder ik) die hen beschimpen, maar wel het lef hebben kipfilets in hun Vinexkeuken plat te slaan. Anno 2014 misschien een fait accompli, ruim tien jaar geleden waren geroosterde cavia’s van de buren en damhertenbiefstuk nog onbespreekbaar.

In ieder geval liet ik me overhalen mee te gaan op fazantenjacht. Babbo Gianni is verrukt en probeert me in de jachtkleding van Lorenzo’s zus te krijgen. Tot en met het verenhoedje toe. Ik vertik het. Mijn Hollandse nuchterheid kan het niet aan. Ik hou mijn eigen leren jasje en rokje wel aan. Geen sprake van, vindt Gianni, ik zou het maar koud krijgen. “Lorenzo, geef dat kind een dikke jas en laat haar een broek aandoen. In de bergen is het koud en we zullen door modderig terrein lopen”. In plaats van jachtkledij krijg ik nu een oversized bomberjack en een spijkerbroek uit het jaar 501 die vreselijkdetoneer in het Toscaanse herfstlandschap.

Om zes uur ‘s ochtends vertrekken we naar een wijngaard –het jachtgebied- buiten Florence, waar we rond achten aankomen. Stel je voor: de Toscaanse morgenstond met goudgele wijngaardstruiken, de dauw flikkerend in de zon. In dit toneel de jagers: Lorenzo, vader Gianni, ‘il Giudice’ (de Florentijnse rechter die de beruchte zaak van het monster van Florence behandelde) en de beheerder van het jachtgebied. Plus de eigenlijke jager onder het stel, degene die zijn poten echt vies gaat maken; de jachthond van de wijnboer.

De heren lopen achter de hond aan. Die snuffelt aan de grond tot hij fazant ruikt, zet het dan op een drafje en houdt subiet halt bij een struik. Blijft hij onbeweeglijk staan, zijn staart stokstijf als een wijzende vinger, dan zit er een fazant in de struik. De mannen houden hun adem in en naderen het bosje. De wijnboer geeft hem een teken, de hond springt de struik in en er fladdert een verschrikte fazant omhoog. “Prendilo te, giudice” (neem jij ‘m maar rechter), gebaart babbo Gianni ruiterlijk – jagers zijn gentlemen. Pang! Daar gaat de eerste fazant tegen de vlakte. De wijnboer raapt al het geschoten gevogelte op en stopt deze in de grote zakken die zijn vrouw op zijn kleding heeft genaaid. Aan het einde van de dag bungelen er zes vogels bungelen uit zijn broek.

Lorenzo moet er nog een beetje in komen. Hij is het plattelandse leven ontwend en heeft de afgelopen jaren met mij in Nederlandse coffeeshops, Londense pubs en in de Kroatische liefdadigheidsinstelling van zijn adellijke Florentijnse buurvrouw rondgehangen. Het levende bewijs van zijn ont-Italiaansing staat naast hem in een te grote bomberjas. Babbo Gianni echter, al lang blij zijn zoon weer eens in een apenpakkie te zien, blijft Lorenzo aanmoedigen,

“Dai, figliolo mio, de volgende vogel is voor jou”. Ook de giudice doet nog een duit in het zakje en dan ontwaakt er een oerinstinct in Lorenzo. Als de hond weer stil staat en zijn hele hebben en houden spitst, legt Lore aan. De hond stuift weer het struikgewas in. Het geklapwiek van de vleugels blijft niet lang uit en we zien weer een bos veren de lucht in fladderen.

“Spara!”, roepen de heren. Lorenzo schiet, maar schampt de fazant slechts. Die valt van schrik uit de lucht, maar zet het op een lopen zodra hij de grond raakt. We staan erbij en kijken ernaar, terwijl het beest het hazenpad tussen de wijngaarden kiest. De hond gaat erop af en krijgt het beest alsnog te pakken. “Bravo Lore, bravo figliolo mio!” Gianni is trots, Lorenzo schaamt zich en ik voel me ongemakkelijk in mijn geleende kleding.

Hard gewerkt, tijd voor het middageten. In het huis van de wijnboer staat de vrouw des huizes al een week lang slow te koken: risotto met duif, gestoofde fazant met rozemarijn en zwarte olijven, pasta met verse paddenstoelen. We eten gegrilde bistecca fiorentina van de open haard in de keuken en drinken wijn uit fiasco’s die nooit op gaan want de voorraadkelder ligt onder ons. Taarten en likeuren toe. Welnee, jagen is niet decadent.