Ik werk momenteel aan een Indonesisch kookboek. Om dit boek en de recepten te kunnen plaatsen, zal ik je wat meer over mezelf vertellen. Ik verdien mijn dagelijkse boterham als schrijvend kok. Voorheen combineerde ik koken in restaurantkeukens met het schrijven van recepten en artikelen over eten. De hectische restaurantkeuken heb ik inmiddels achter me gelaten, ik kook nu voornamelijk als foodstylist, wat zoiets inhoudt als koken voor foto’s. Gezien die achtergrond en mijn Indische afkomst, denk je misschien dat het logisch is dat ik een kookboek schrijf over de Indonesische keuken. Maar het mag eerder een wonder heten. Als er iemand was die niets met Indonesië had, was ik het. Ik kreeg het op mijn heupen van samenklittende indo’s op de Pasar Malam (TongTong Fair voor millennials), jeuk aan mijn huig van de walmende wierook daar en hoorde ik een ‘Tante Lienige-stem’, dan gingen mijn nekharen overeind staan.

Oma

Ik liep met een grote boog om de Indische gemeenschap heen en dat had met mijn oma te maken. Ik wil niet respectloos overkomen door naar oma te wijzen, maar helaas is zij de oorzaak van mijn voormalige afkeer. De verzachtende omstandigheden van het collectieve Indische verleden hebben mijn familie en ik heus in ogenschouw genomen bij onze veroordeling. Laten we het erop houden dat mijn oma een persoonlijkheidsstoornis had. Waardoor mijn moeder geen prettige jeugd had en mijn broer en ik verstikkende herinneringen bewaren aan onze kindertijd en pubertijd. Waarin we geacht werden iedere woensdagmiddag bij oma te zitten. Op de bank met het stoffen kleedje waarop het acroniem I.N.D.O. (In Nederland Door Omstandigheden) ons er telkens fijntjes aan herinnerde dat oma hier niet uit vrije wil was. Om verwijten over ons heen te krijgen, om iedere keer aan te horen hoe fantastisch Indonesië was en wat er allemaal niet wilde deugen aan ‘die vieze Hollanders met hun stinkende bil’ (Indo’s wassen hun billen na een grote boodschap met water, in plaats van met een papiertje over een poepvlek te wrijven. In deze had oma natuurlijk wel een punt).

 

Paardenbiefstuk

Ze ging prat op de Indonesische gastvrijheid, maar was zelf allerminst gastvrij. Mijn moeder mocht vooral geen vriendjes of vriendinnetjes meenemen, onze oleh oleh hadden we niet met anderen te delen, zeker niet met Hollanders. Dat klinkt misschien nog vrij onschuldig, maar oma schroomde ook niet om ons op allerlei manieren emotioneel te chanteren. Ik zal niet in detail treden, al zou ik een boek kunnen vullen met verhalen over haar. Maar dan zou het geen kookboek worden, oma had niks met koken. Ze stond net lang genoeg in de keuken om van een paardenbiefstuk een gortdroge schoenzool te bakken.

 

Voor het eerst naar Java

Ik vertel dit om je een idee te geven waar ik vandaan kom. Gelukkig kunnen we er inmiddels om lachen, de tijd werkt als een verzachtende zalf. Oma is in 2006 overleden, tevens het jaar dat ik voor het eerst voet aan de grond zette op Java. Ze reisde nog ieder jaar terug naar haar geboorteland. Tijdens die laatste reis werden wij ’s nachts gebeld. In mijn slaapdronken toestand nam ik niet op. Bovendien was oma zo’n hypochondrisch type dat voor elke scheet belde; haar eeuwige geklaag had de ernst van dit telefoontje ondermijnd. De volgende dag pas hoorden we dat oma was overleden. Ik voelde me Atlas die de wereldbol even naast zich neer mocht zetten – ondanks het droeve nieuws voelde ik een enorme opluchting. De laatste jaren hadden we steeds meer afstand genomen, ik voelde me daar echter heel schuldig over…Maar het was voorbij. Ik hoefde me niet meer bezwaard te voelen.

 

Afscheid en kennismaking

Omdat ze ons die nacht niet te pakken hadden gekregen, had de islamitische gewoonte besloten. Die schrijft voor dat een lichaam binnen vierentwintig onder de zoden moet. Met mijn moeder en broer reisde ik naar Jakarta om afscheid te nemen. Op een miljoenenbegraafplaats begoten we met een emmer met gaatjes in de onderkant bloemetjes op oma’s graf. De bergen tekenden zich af tegen een rozerode lucht die kruidig en zoet rook naar kruidnagel en houtskool. Geiten graasden het gras van de graven, het schemerde en het was ramadan. Vuurtjes brandden rondom de kleine stenen zerken, waar families zich verzamelden om het vasten te breken. Het was een bijzondere reis waarin afscheid en kennismaking één werden. Treurig natuurlijk, dat mijn hart zich pas kon openen voor Indonesië na oma’s dood. Het moest blijkbaar zo zijn. Sindsdien ben ik nog zes keer terug geweest en hoe beter ik het land leer kennen, hoe leuker ik het ga vinden en hoe trotser ik word op mijn achtergrond.

 

Via de keuken

Van de Indonesische keuken heb ik trouwens altijd gehouden – zal wel genetisch bepaald zijn. Aan de kant van mijn vaders familie kwam er ook Indische aanhang en de etentjes daar waren zonder droge paardenbiefstuk en niet beladen. Ook heb ik in verschillende Indische restaurants gewerkt. Maar dat ik me als ‘indo-kok’ zou profileren en een boek zou schrijven over deze keuken, dat had ik een jaar of tien terug niet gedacht. ‘De weerzin is weg’, zei mijn moeder laatst. Bij mij is het nog sterker, het is zin geworden. Ik ben misschien wat laat, maar via de Indonesische keuken kom ik dan eindelijk uit de kast als indo.